Zoeken
  • liesbethgoedbloed

Nescio


Voor het Nederlands Dagblad schreef ik een stuk over Insula Dei, een verhaal van Nescio.
Citaat:
,,En dan doet God weer watti altijd doet, Goddank, iederen dag telkens weer en waardoor ik ten slotte nix heb kunnen worden in de maatschappij. Ik zie iets dat er niet is. (…) De velden eindigen ergens, je ziet niet hoe, verliezen zich in de verte tegen boomen of struikgewas. En dan is er een fantastisch gouden wolk boven ’t graan, hij stijgt uit ’t graan op, hij schittert en breidt zich uit naar boven en naar rechts. Het oordeel. Ik stap af, ik wacht den Heer. De wolk wandelt, hij wandelt naar rechts en komt ook dichter bij. En dan doemt er iets op uit ’t gouden stof, het is eerst niet duidelijk, wat er opdoemt, maar de Heer is ’t niet.
En even daarna is ’t een wagen, hoog opgeladen met hooi, of liever, ’t is hooi dat zich langzaam, sloom en zoo goed als onhoorbaar voortbeweegt tusschen ’t koren, met een zittend mannetje er voor en een paardekop, omwolkt en omdwarreld door stof geworden zonneschijn.”
Mijn verhaal:
Een oorlogswinter, en armoe overal: twee mannen komen elkaar tegen tussen de lege winkels en de aangevroren sneeuw. Dikschei en Flip zijn oude vrienden. Bij surrogaatkoffie en opgespaarde, nagetelde sigaartjes halen ze herinneringen op aan betere tijden: aan hun gezamenlijke fietstochtjes. Als alle mensen zijn ze een Insula Dei, een eiland van God: achter hun ogen bewaren ze de herinneringen aan een landschap dat troosten kan, ook als het allang verdwenen en vernietigd is, ten prooi gevallen aan de vooruitgang of aan de oorlog en de winter.
Het is een verhaal dat in de Nederlandse taal bijna niet te schrijven is. Zoveel melancholie, zoveel nostalgie, zoveel vroomheid ook – dat geloven wij, nuchtere Nederlanders, niet. Maar in de troosteloosheid van zo’n oorlogswinter is nostalgie het enige antigif tegen de wanhoop, en verdraagt de Nederlandse taal het ineens wel: die twee verlepte mannen die bij een salamanderkachel nostalgisch zitten te doen over vroeger, en dingen zeggen als: ,,Ik ben niet droevig. Ik ben een eiland.”
Dat eiland is Gods eiland: een paradijs waar de oorlog niet kan komen – ,,Hoe kan iemand mij bezetten? Dat gaat buiten me om.” – en waar je de lelijke stukken uit kunt weglaten. Het is niet eens een groots en meeslepend paradijs, het zijn Hollandse landschapjes: boterbloemen, kikkers, plompenbladeren, ,,De rustende Jager” in Castricum.
In het uiterlijk is de menselijke waardigheid niet meer te vinden; alles in dit verhaal is smoezelig, en armoedig, en oud, en scheef. Maar diep vanbinnen, op hun eigen Godseiland, blijven deze twee mannen paradijsbewoners. Kleumend trekken ze zich terug in hun herinneringen, en daar bewonen en bewaren ze Gods tuin. Ook als ze niet meer naar die tuin toe kunnen, ook als die tuin niet meer bestaat.
,,De hemel welft stil en blauw over het goedertierene groen, het graan staat zoo stil en er is een gouden gloed over en het land ligt daar als een mensch van wien men houdt.” Elke keer als ik die zinnen lees, schieten de tranen naar mijn ogen. Elke keer als ik die zinnen lees, denk ik aan de paradijzen die ik ken. De akkers van de Hoeksche Waard onder de open hemel. Het graan bij zomeravond. De polders waar niemand komt in het uur voor de zon ondergaat.
Daar mag ik dus best een beetje bij huilen, want dat is ook mooi.
Nescio, Insula Dei. Querido’s Uitgeverij B.V., Amsterdam 1969. ISBN 978 90 21 401 157
Insula Dei staat integraal op internet en is te vinden onder: http://www.dbnl.org/tekst/_tir001196001_01/_tir001196001_01_0132.php
(Mei 2018)
0 keer bekeken
© 2018 by Liesbeth Goedbloed
  • LinkedIn - grijze cirkel
  • Facebook - Grey Circle