© 2018 by Liesbeth Goedbloed
  • LinkedIn - grijze cirkel
  • Facebook - Grey Circle
Zoeken
  • liesbethgoedbloed

Christus wordt weer gekruisigd


Deze keer heet hij Manoliós. Op Paaszondag is hij geroepen en hij heeft zich laten roepen: hij, een eenvoudige herder, zal de hoofdrol spelen in een drama dat van alle tijden is – de kruisiging van Christus. Naast hem zijn ook een verrader, een lichtekooi en drie apostelen uitverkoren: Judas, Maria Magdalena, Johannes, Petrus en Jakobus. Zij zullen zich, samen met hem, een jaar lang voorbereiden op het Paasspel van het komende jaar. Want eens in de zeven jaar staat Christus waarlijk op in het Griekse Lykóvrysi en spelen de dorpsgenoten een heilig spel.
Het is een dorp als andere dorpen: met een dorpsgek, een warmbloedige weduwe, een driftige zadelmaker en een ouwe vrek. Zo’n dorp waar niemand geheimen heeft. Iedereen weet dat de dochter van de vrek is gestorven omdat haar vader te gierig was om een dokter te laten halen en dat de marskramer zijn vrouw vermoord heeft omdat hij gek werd van haar gezeur. Binnen die dorpscultuur – binnen die schijn van helderheid, waarin elk mens tot in stamboom en bloedbaan gekend is – worden bekenden vreemden voor elkaar als Christus terugkomt.
Maar zover is het nog niet. Pasen is nog een spel en geen weerbarstige werkelijkheid. De Turkse Aga rookt nog zijn waterpijp, de kapitein bedrinkt zich, de dorpsoudste ligt met de weduwe in bed en alles ademt de vrede van een gewone Paaszondag: ,,De motregen was opgehouden, de bomen en stenen glinsterden, de grond geurde en vrolijk spottend klonk de zang van de koekoek. In haar edelmoedigheid had de zon haar kracht gemilderd, en ze streelde nu vol mededogen de aarde met een hand die niet meer gloeide; alles was even zoel en teder, de druppels trilden nog na op de bladeren en in het zachte naregenwindje zag je de wereld lachen en huilen.”
Op de avond van deze Paaszondag komt een groep vluchtelingen aan in het welvarende Lykóvrysi. Het zijn christenzusters en -broeders die op de vlucht zijn voor de Turken en al drie maanden onderweg zijn: broodmagere mannen, vrouwen en kinderen. Nu is het geen spel meer, maar werkelijkheid. Christus verschijnt als een vreemdeling en alle menselijke afweermechanismen treden onmiddellijk in werking. De notabelen maken zich vooral druk om hun geld en hun macht, er is wat oppervlakkig medelijden die de ware onverschilligheid moet verhullen en er wordt vroom gepraat. Uiteindelijk worden deze mensen door de dorpspriester, pope Grigoris, het dorp weer uitgebonjourd: hun armoe is een teken van God – ze zullen wel gezondigd hebben.
Maar Manoliós heeft gehoord wat de pope die ochtend tegen hem zei: dat hij vanaf vandaag nog maar aan één ding moet denken – hoe hij het kruis waardig kan worden. Hij weet dat hij zijn hoge roeping niet mag verloochenen en rooft samen met zijn drie apostelen de kelder van een van de notabelen leeg, geeft de vluchtelingen te eten en wijst ze een plek om te slapen. Dat is de eerste stap op een lange weg. Om het kruis waardig te worden moet Manoliós boete doen. Koortsachtig strijdt hij tegen zijn lusten, zijn verloofde Lenió begint te geloven dat hij door een boze geest getroffen is en ook zijn apostel, de marskramer Yannakós, twijfelt aan zijn verstand. Manoliós zelf zegt: ,,Het is de boze geest die zich op me vastgezet heeft; God zij geloofd, anders was ik verloren geweest …” Maar Yannakós begrijpt hem niet: ,,Een raadsel is de wereld. God en een boze geest kun je niet uit mekaar houden … Vaak – gedenk mijner, Heer! – zien ze er eender uit!” En zo raadselachtig en ongrijpbaar blijft het: Manoliós wordt melaats , Manoliós wordt genezen en niemand kan de tekenen duiden.
En dan wordt Joesoefje vermoord. Joesoefje is het schandknaapje, het oogappeltje, het schootkindje van de Turkse Aga en die heeft uiteindelijk de macht: hij vertegenwoordigt de Turkse overheersers in dit Griekse dorp. Hij sluit de vier dorpshoofden in de cel. Manoliós bekent dat hij het kind vermoord heeft, maar niemand gelooft hem – ook de Aga niet. Maar hoe meer Manoliós zich in zijn rol inleeft, hoe gespannener de verhoudingen in het dorp worden. Hij stuurt alles in de war: hij roept de mensen op om een tiende van hun oogst aan de vluchtelingen te brengen en de schatten van de oude vrek zijn ook niet veilig. De dorpsoudsten kunnen zijn bloed inmiddels drinken en Manoliós wordt, ruim voor Pasen, aan het kruis genageld.
De mens is een dier
Nikos Kazantzakis’ roman speelt in een andere wereld. In die wereld is de mens nog een onverbeterlijke zondaar. Vroomheid is een achterhoedegevecht en geen kwestie van: ‘waar een wil is, is een weg’. De mens is niet tegen zichzelf opgewassen. De enige manier waarop je hem misschien zou kunnen temmen is hem het juk van een hoge roeping opleggen. Maar ook die roeping is bij Kazantzakis blinde willekeur, een lot waartegen verzet zinloos is. Je bent of Judas of Jezus, en de kleur van je baard bepaalt. Is je baard honingblond, dan word je Jezus, is je baard rood als de hel, dan word je Judas.
Deze uitverkorenen gaan allemaal naar hun rol staan: de verrader wordt een verrader, de redder een redder. Zo gaat ook de zadelmaker Panayótaros, die tegen zijn zin de verrader moet spelen, naar zijn rol staan. Want zonder Judas gaat het niet, Judas is onmisbaar. Met dat argument probeert pope Grigoris de zadelmaker te overtuigen van het belang van zijn roeping tot verrader: ,,Om de wereld te redden moet Christus gekruisigd worden, en om Christus te kruisigen moet er iemand zijn die hem verraadt… Dus je ziet, om de wereld te redden is Judas onmisbaar, onmisbaarder dan welke apostel ook. Als er eentje te weinig is, geeft dat niet, maar zonder Judas wordt het niks…” Hoe hevig de zadelmaker zich ook verzet, hij moet de rol van verrader tot het bittere einde spelen en hij wint het niet van zijn eigen verraderlijkheid. De mens is niet sterker dan zichzelf.
Zoals ook Yannakós, de marskramer die Petrus moet spelen, volledig in zijn rol opgaat. Net als Petrus kan hij als een blad aan de boom omslaan. Wanneer hij in de buurt van Manoliós is en zich zijn heilige roeping herinnert, is hij een ware apostel, maar zodra de ouwe vrek Ladás met zijn geld begint te rinkelen, vergeet hij wie hij was en toont zich bereid de hongerige vluchtelingen uit te buiten. Maar als hij bij hen komt en als een weldoener onthaald wordt: ,,Daar hebben we een goed mens uit Lykóvriski. Hij komt ons moed schenken in ons ongeluk” slaat hij opnieuw om, barst in tranen uit en belijdt zijn zonde. (O, lieve ironie en realiteitszin van onze Heer: ,,Op deze rots zal ik mijn gemeente bouwen.”)
Sowieso hoef je bij Kazantzakis geen koersvaste, nuchtere Hollanders te verwachten – zijn personages zijn allemaal warmbloedige, hevig levende, licht hysterische mensen die verscheurd worden tussen hun kleinheid en hun grootsheid. Het zijn heiligen en misdadigers, mensen met een hoge roeping en lage driften. ,,De mens is een wild dier, een ongetemd wild dier...” Aan dat dier wordt Christus opnieuw uitgeleverd.
In de naam van God
Christus verschijnt, Christus wordt gekruisigd. Zo gaan die dingen toch? En de mens speelt zijn rol met verve. Als Christus verschijnt, zijn wij zijn Judas, zijn Petrus, zijn Maria Magdalena. We zalven zijn hoofd, we kussen zijn voeten, we verkopen hem, we verraden hem, we doen alsof we hem niet kennen. En we missen hem, we gaan wanhopig naar hem op zoek en zien door onze tranen heen niet dat hij vlak voor ons staat: de levende onder de doden. Net als God is ook de mens gisteren en heden dezelfde. ,,Voor niks, Christus van me, voor niks. Tweeduizend jaar bijna duurt het nu al, en nog altijd… nog altijd kruisigen ze je. Wanneer word je geboren, m’n Christus, om niet langer gekruisigd te worden, om eeuwig bij ons te leven?” vraagt pope Fotis zich bij het lijk van Manoliós af.
Maar God lijkt het niet op te geven. En de ware heiligen geven het niet op, die geven ook zichzelf niet op. Pope Fotis gaat opnieuw op weg. Als een Mozes gaat hij de vluchtelingen voor: ,,In de naam van God!’ mompelde hij, ‘de tocht begint weer; houd moed, m’n kinderen!’ En ze gingen weer op pad, in de richting van de opkomende zon.”
Nikos Kazantzakis, Christus wordt weer gekruisigd. Wereldbibliotheek, Amsterdam 2016. € 29,99. Vertaling: Hero Hokwerda. ISBN 978 90 28 426 573
(Maart 2017, Nederlands Dagblad)
45 keer bekeken